Skip to content

Begrippenlijst

Deze pagina legt vakjargon en afkortingen uit die u binnen DORI en in de verzekeringssector tegenkomt. Ze is bedoeld als naslagwerk: elk begrip krijgt een korte, duidelijke uitleg, met waar mogelijk een verwijzing naar de bijhorende handleiding.

Compliance & regelgeving

  • KYC (Know Your Customer) — "Ken uw klant". Het geheel van stappen waarmee een makelaar de identiteit en achtergrond van een klant verifieert vóór en tijdens de zakelijke relatie. Vormt de basis van de klantacceptatie.
  • CDD (Customer Due Diligence) — Cliëntenonderzoek: de plicht om de klant te identificeren, het doel van de relatie te begrijpen en verrichtingen op te volgen. Onderdeel van KYC en de antiwitwasverplichtingen.
  • AML (Anti-Money Laundering) — Antiwitwas: het geheel van maatregelen om het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te voorkomen.
  • WW (witwassen) — De Nederlandstalige term voor money laundering: geld met een illegale herkomst een schijnbaar wettige oorsprong geven. In een compliancecontext staat WW voor witwassen (dus niet voor werkloosheid).
  • AWL (Antiwitwaswet) — De Belgische wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Legt tussenpersonen onder meer cliëntenonderzoek, een risicobeoordeling en een meldingsplicht op.
  • AMLCO (Anti-Money Laundering Compliance Officer) — De persoon binnen een kantoor die verantwoordelijk is voor de naleving van de antiwitwasregels.
  • CFI (Cel voor Financiële Informatieverwerking) — De Belgische cel die meldingen van vermoedens van witwassen en terrorismefinanciering ontvangt en analyseert (de Belgische FIU). In het Frans: CTIF.
  • PEP (Politically Exposed Person) — Politiek prominent persoon: iemand met een belangrijke publieke functie (of een naaste daarvan), waarvoor een verhoogd cliëntenonderzoek geldt. Verhoogt het waakzaamheidsniveau van een contact.
  • IDD (Insurance Distribution Directive) — De Europese Verzekeringsdistributierichtlijn die regels oplegt rond informatieplicht, advies en de geschiktheid van verzekeringsproducten.
  • FSMA (Financial Services and Markets Authority) — De Belgische Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten; de toezichthouder voor onder meer verzekeringstussenpersonen.
  • FiMiS (Financial Institutions and Markets Information System) — Het online platform van de FSMA waarlangs tussenpersonen gegevens rapporteren. Zie het FiMiS-Survey rapport.
  • NACEBEL — De Belgische nomenclatuur van economische activiteiten: codes die de sector of activiteit van een onderneming aanduiden. Zie beroeps- en NACEBEL-codes.

Verzekeringen & beleggingen

  • Tak 21 — Levensverzekering met een gewaarborgd rendement, eventueel aangevuld met winstdeelname.
  • Tak 23 — Levensverzekering gekoppeld aan een of meer beleggingsfondsen, zonder gewaarborgd rendement; het rendement volgt de onderliggende fondsen.
  • Tak 26 — Kapitalisatieverrichting zonder verzekerd hoofd; een spaar- of beleggingscontract dat vaak door vennootschappen wordt gebruikt.
  • Tak 44 — Een combinatieproduct dat een gewaarborgd deel (Tak 21) en een fondsgebonden deel (Tak 23) in één contract bundelt.
  • SRRI (Synthetic Risk and Reward Indicator) — Een gestandaardiseerde risico-indicator (schaal 1 tot 7) die het risico- en rendementsprofiel van een fonds weergeeft. Zie SRRI-code invullen.
  • AUM (Assets Under Management) — Beheerd vermogen: de totale waarde van de activa die u voor uw klanten beheert. Zie het Assets Under Management rapport.
  • KID / KIID (Key (Investor) Information Document) — Essentiële-informatiedocument: een gestandaardiseerd document met de kerngegevens (kosten, risico en rendement) van een beleggings- of verzekeringsproduct.
  • ISIN (International Securities Identification Number) — Een unieke internationale code die een fonds of effect identificeert.

Aanvullende pensioenen

  • Pijlers (eerste / tweede / derde pijler) — De opbouw van het Belgische pensioen: de eerste pijler is het wettelijk pensioen (overheid), de tweede pijler is het aanvullend pensioen via de beroepsactiviteit (werkgever of vennootschap), en de derde pijler is individueel fiscaal sparen.
  • IPT (Individuele Pensioentoezegging) — Tweedepijlerpensioen voor zelfstandigen met een vennootschap: de vennootschap betaalt de premies ten voordele van de bedrijfsleider.
  • VAPZ (Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen) — Tweedepijlerpensioen dat openstaat voor alle zelfstandigen; de premies zijn aftrekbaar als beroepskosten.
  • POZ (Pensioenovereenkomst voor Zelfstandigen) — Tweedepijlerpensioen voor zelfstandigen zonder vennootschap (eenmanszaken); geeft recht op een belastingvermindering. De tegenhanger van de IPT.
  • Groepsverzekering — Tweedepijlerpensioen dat een werkgever afsluit voor zijn werknemers.
  • RIZIV-contract — Aanvullend pensioen voor bepaalde zorgverleners (bv. artsen, tandartsen, apothekers), gefinancierd met een jaarlijkse RIZIV-toelage. RIZIV = Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.
  • Pensioensparen — Derdepijlerpensioen: individueel fiscaal voordelig sparen voor het pensioen, met een jaarlijkse belastingvermindering.
  • Langetermijnsparen — Derdepijlerpensioen via een levensverzekering, met belastingvermindering binnen de fiscale korf.
  • 80%-regel — De fiscale grens voor de aftrekbaarheid van aanvullende pensioenopbouw: het totale (wettelijke + aanvullende) pensioen mag niet meer bedragen dan 80% van de laatste normale brutojaarbezoldiging. Zie Uitleg 80%-regel.

Vermogen & eigendom

  • Roerend vermogen — Verplaatsbare bezittingen en financiële activa, zoals spaargeld, beleggingen, aandelen of een wagen.
  • Onroerend vermogen — Vastgoed en gronden die niet verplaatsbaar zijn.
  • Volle eigendom (volle eigenaar) — Iemand die zowel het bezit als het gebruik en de opbrengsten van een goed volledig bezit.
  • Naakte eigendom (naakte eigenaar) — Iemand die de eigendom van een goed bezit, maar (nog) niet het gebruik of de opbrengsten ervan; die komen toe aan de vruchtgebruiker.
  • Vruchtgebruik (vruchtgebruiker) — Het recht om een goed van iemand anders te gebruiken en er de opbrengsten van te genieten, zonder er de volle eigenaar van te zijn.

Product- en cataloguskenmerken

  • Bouwsteen — In DORI de overkoepelende categorie of soort waartoe een product behoort, bijvoorbeeld Fiscaal sparen, Roerende belegging of Onroerende belegging.
  • Fiscaliteit — Het fiscale stelsel dat op een product van toepassing is, bijvoorbeeld IPT, VAPZ, pensioensparen of niet-fiscaal.
  • Instapkost — De kost (meestal een percentage van de premie of inleg) die bij de instap in een product wordt aangerekend.
  • Taks (premietaks) — De taks op verzekeringsverrichtingen: op premies van Tak 21- en Tak 23-levensverzekeringen bedraagt die doorgaans 2% (met uitzonderingen, zoals pensioensparen).
  • Partner — Een organisatie waarmee uw kantoor samenwerkt: een verzekeringsmaatschappij, een beheerder of een bank. Zie Partners instellen.

Digitaal & technisch

  • eID — De Belgische elektronische identiteitskaart, die met een kaartlezer kan worden ingelezen. Zie e-ID inscannen.
  • itsme — Een Belgische mobiele app voor veilige digitale identificatie en ondertekening. Zie ondertekenen met Itsme.
  • OTP (One Time Password) — Een eenmalige code (bijvoorbeeld via sms) om een handeling te bevestigen, zoals digitaal ondertekenen.
  • MFA (Multi-Factor Authentication) — Meervoudige authenticatie: aanmelden met een extra beveiligingsstap naast het wachtwoord. Zie authenticatiesysteem binnen DORI.
  • SEPA (Single Euro Payments Area) — Het Europese systeem voor euro-betalingen, onder meer gebruikt voor domiciliëringen via een SEPA-mandaat.
  • Peppol — Een internationaal netwerk voor de veilige uitwisseling van elektronische facturen (e-facturatie).
  • CRM (Customer Relationship Management) — Een systeem om klantrelaties en -gegevens centraal te beheren. DORI biedt uitgebreide CRM-functionaliteit.

DORI-specifieke begrippen

  • Dossier — Een groepering van samenhorende contacten (bijvoorbeeld een gezin), waarbinnen u analyses, een charter en overzichten beheert.
  • Cataloog (Catalogus) — Het overzicht van alle producten en fondsen die binnen uw kantoor worden gebruikt. Zie Catalogus.
  • Waakzaamheidsniveau — De risicoscore (laag, standaard of hoog) die DORI per contact berekent op basis van automatische en manuele risicofactoren. Zie Waakzaamheidsniveau.
  • Fiche dienstverlening — Een verplicht document dat de dienstverlening aan de klant beschrijft en dat ondertekend wordt. Zie Fiche dienstverlening.
  • Klantenportaal — De beveiligde online omgeving waarin een klant zijn gegevens, documenten en polissen kan raadplegen. Zie Klantenportaal aanmaken.
  • Domein Data — Het onderdeel waarin u zelf vaste gegevens (types, categorieën, ...) beheert zonder tussenkomst van het technisch team. Zie Domein Data.